>> nuttige leestips

Bijdragen tot de geschiedenis van Lennik

  • Wie meer legenden wil lezen, kan zich de Bijdragen tot de Geschiedenis van Lennik (deel 1) aanschaffen. Voor meer info over deze publicatie kan je terecht bij de Andreas Masiuskring.

legenden & verhalen

De patroonheiligen

Deze legende verhaalt dat Sint Maarten en Sint Kwinten samen vanuit Frankrijk naar onze streken reisden. Toen ze in de buurt van Lennik kwamen beslisten ze er halt te houden omdat het er zo mooi was. Sint-Maarten, die vroeger soldaat was geweest, was te paard en Sint-Kwinten te voet. Om het patroonschap van beide kerken vast te stellen kwam men overeen een snelheidswedstrijd in te richten tussen de 2 kandidaten. Het vertrek werd gegeven aan het bedeoord van Sinte-Mettes en de aankomst was aan de kerk van Lennik.
Eénmaal bij de Slagvijverbeek, was het gemakkelijk voor Sint-Maarten om er overheen te springen. Maar zijn paard weigerde. Ondertussen sprong de jonge Kwinten over de beek en kwam als eerste aan in Lennik. Sint-Maarten keerde dan op zijn stappen terug en vestigde zich dan in Sint-Martens-Lennik.

Met dank aan Guido Dieudonné

Sint Maarten en Sint kwinten kwamen van het Zuiden. Hier rond Lennik vonden zij de streek heel mooi. Sint Maarten, die vroeger soldaat was geweest, reed te paard en Sint Kwinten ging te voet.
Aan de Slagvijverbeek gekomen sprong Sint Maarten erover en Sint-Kwinten keek heel beteuterd en zei: “Ik zou ginder op die heuvel mijn kerk willen bouwen”.
Sint Maarten wou niet minder doen en antwoordde: “En ik zal de mijne op die andere zetten”.
En zo scheidden de twee vrienden. Vandaar zijn er nu twee Lenniken en hebben zij elk een verschillende patroon.

Uit een schoolschrift van +/- 1910


 

Kasteelheer Sas

Rond 1855, na het vertrek van de Spaanse Infante, kreeg het kasteel van Eizeringen een nieuwe bewoner, namelijk Mijnheer Sas, naar de overlevering een Hollander. Deze heer wilde voor de kerkgangers van Te Nelleken de doorgang verbieden langs de Lindedreef die het pad langsheen de kasteeltuin verbond met de Leckebaert, hetgeen voor deze mensen de gewone en kortste weg was naar de kerk.
Om de heer Sas met nadruk duidelijk te maken dat zij zulke praktijken niet gewoon waren en deze best konden missen, hadden zij er niets beter op gevonden dan stoetsgewijze met een stropop op een slede de dreef in te trekken en die daar te verbranden onder gebral en gebrul.
Dit gaf aanleiding tot een nieuw spotlied dat veel gezongen werd en waarvan het refrein als volgt luidde:


Hij heet de weg belet, Zij hebbe ’r hem afgezet
Al is hij Sas, al is hij Sas, hij zit in groot ambras


Naar deze tekst te oordelen hadden die van Te Nelleken mijnheer Sas reeds eerder de dreef uitgejaagd, zich steunend op het gewoonterecht. Zonder twijfel werd mijnheer Sas het leven zuur gemaakt, want in 1865 kreeg Eizeringen een nieuwe kasteelheer uit Gent, namelijk baron van Pottelbergh de la Potterie

Uit “De Kerk van Eyzeringen” door Karel Van Ginderdeuren.


 

De Heeten Heuzel of Horzel

De Heeten Heuzel was een vermaard tovenaar. Niemand wist van waar hij gekomen was. Hij woonde in een donkere spelonk nabij het Kluisbosch, tussen Ten Nelleken en Ten Ham, twee gehuchten van Sint-Kwintens-Lennik. Zeer veel oude mensen van de beide Lenniken, Gooik, Leerbeek en Kester, hebben, zeggen ze, de Heeten Heuzel gekend. Veel wordt er over hem verteld.
De Heeten Heuzel was een boerenknecht die kon toveren. Hij was sterk en op zijn honderd gemakken kon hij de grootste bomen uittrekken. Hij kon een zak met paardenbonen dragen, zo zwaar dat drie andere mannen hem niet konden verroeren. Op zeker dag hield hij een wagen tegen, waaraan vier kloeke paarden gespannen waren.

Op een keer moest de Heeten Heuzel het mest, dat in hopen op het land stond, met een riek openspreiden. Toen zijn meester ‘s avonds thuis kwam, merkte hij dat de Heuzel niets gedaan had. Hij bekeef zijn knecht, maar deze zei: “Wacht !”. Hij zette zich met de riek nevens een mesthoop en zei: “Iedereen op zijn post … aan mij de mijne, aan iedereen de zijne !”. Hij bedoelde de mesthopen. En hij wierp zijn hoop open. En de boer zag het mest van al de andere hopen tegelijkertijd openvliegen. Hij zag de helpers van de Heeten Heuzel niet, het waren zonder twijfel duivels.

Het is lang, lang geleden. Maar er stond toen te Lennik een pastoor, een heilig man, die de macht had verkregen om de toverij te verjagen. Hij werd gewaarschuwd dat de Heeten Heuzel een tovenaar was en hij wilde er zich van overtuigen. Daarom huurde hij de Heuzel als knecht. De Heuzel gedroeg zich bij de pastoor als de beste der mensen. Hij was niet koppig, maar eerlijke en braaf, rap in hand en tand, een voorbeeld van een mens. De pastoor kon er niet wijs uit worden. De duivel die in het lichaam van de Heeten Heuzel woonde, moest een zonderlinge duivel zijn en de pastoor werd gewaar dat hij nooit over zulke hekserij meester zou worden.

Hij besloot een bedevaart te doen naar Keulen, naar de heilige en machtige dom. Vooraleer weg te gaan, organiseerde hij een octaaf en gebood aan de Heeten Heuzel en al zijn parochianen al de diensten ervan tot de laatste dag bij te wonen. Daarna moest de knecht de pastoor te Keulen komen vinden. De pasteur kroop op zijn witte paard met de brieven onder de arm en trok naar Duitsland. Dagen en nachten verliepen … Eindelijk waren de parochianen voor de achtste maal in de kerk van Lennik vergaderd. De Heeten Heuzel zat in het midden van de beuk. Ineens werd hij opgenomen in de lucht en vloog langs het torenvenster buiten. De pastoor kwam juist in een voorstad van Keulen. Eensklaps hoorde hij achter zich een hels gebries en getrappel. ‘t Was alsof een draaiwind altijd nader en nader kwam. Plots zag hij naast zich een zwart en mager paard en daarop zat zijn knecht: de Heeten Heuzel. En of de pastoor verschrikt was! Doch hij schepte moed. “Wat !” riep hij, “zou een tovenaar mij overwinnen ?”. Hij gaf zijn paard de sporen. Enige ogenblikken later stond hij voor de deure van de kerk; maar naast hem stond het zwart paard van de Heeten Heuzel. Ze reden beiden tegelijk binnen. De paters van de kerk, die van de zaak op de hoogte waren gebracht, kwamen bijgelopen, ze wilden de tovenaar overlezen en hem, zonder dat hij kon vermoeden, onder het koor van Sint-Franciscus slaan. Maar de Heeten Heuzel werd het gewaar en huilend en kermend liep hij met zijn zwart paard rond de Dom, doch hij vond nergens een uitgang . Alles was gesloten. Ineens nam hij zijn loop en met zijn paard sprong hij door het sleutelgat naar buiten.

Men vertelt te Keulen dat sindsdien het slot verwrongen is en grijnst en knarst telkens men de deur opent of sluit. Te Lennik heeft men nooit meer de Heeten Heuzel weergezien.

Uit:
Twyffelloos (De Gronckel). Het Pajottenland.
Brabants Sagenboek van A. De Cock & Ls Teirlinck.