mobiliteitsplan

Procedure mobiliteitsplan

Rekening houdende met de mobiliteitsproblematiek (het steeds toenemend verkeer, de groeiende verkeersonveiligheid, ...) heeft de gemeente Lennik met het Vlaams Gewest een mobiliteitsconvenant afgesloten, d.w.z. een overeenkomst waarbij de gemeente Lennik er zich toe engageerde een gemeentelijk mobiliteitsplan op te maken dat als basis en leidraad zou dienen voor de toekomstige acties, zowel van de gemeente, het gewest als de andere partners die terzake een rol spelen, zoals bijvoorbeeld de vervoersmaatschappij De Lijn.

Concreet betekent dit dat het gemeentelijk mobiliteitsplan de beleidsmatige basis zal vormen voor het realiseren van een duurzame mobiliteit in de gemeente.

Het opstellen van een dergelijk mobiliteitsplan vereist een proces (mobiliteitsplanning) dat de klassieke stappen tot opmaak van een beleidsplan, het opmaken van beleidskeuzes, het uitvoeren van acties, de evaluatie en de terugkoppeling ervan doorloopt.

In dit proces van mobiliteitsplanning kan men drie delen onderscheiden:
1) Het mobiliteitsplan zelf omvat allereerst een oriëntatiefase, met name een fase van opbouw van het plan enerzijds en anderzijds een beleidsfase waarin het beleidsplan voor lange, middellange en korte termijn wordt bepaald.

2) Het proces omschrijft de uitvoering van de acties zoals bepaald in het mobiliteitsplan gespreid in de tijd.

3) Het proces voorziet ook de opvolging van de mobiliteitsplanning waarin dus deze mobiliteitsplanning en haar acties worden geëvalueerd en desgevallend bijgestuurd.

Het opstellen van het plan zelf verloopt in drie fasen:

- de oriëntatiefase
- de opbouw van het plan
- het beleidsplan

Fietsbeleidsplan

Om de automobiliteit te beïnvloeden en zeker om tot een verkeersuitdunning te komen in de bebouwde gebieden, wordt in dit scenario de uitbouw van een geoptimaliseerd en functioneel fietsroutenetwerk essentieel geacht, aangezien de fiets als vervoermiddel voor woon-school- en woon-werkverplaatsingen gebruikt kan worden, al dan niet in combinatie met het openbaar vervoer.
Het fietsbeleid mag zich echter niet enkel beperken tot de hoofdassen, ook op de relatie buiten die hoofdassen moet de fiets een plaats krijgen.
Daarenboven kenmerkt dat fietsbeleid zich tevens door een 'harde' opstelling inzake de ruimte en comfort voor het fietsverkeer.

Doelstellingen

Het uitwerken van een fietsroutenetwerk beoogt de volgende doelstellingen:
- beïnvloeding van het verplaatsingsgedrag ten voordele van de fiets
- een verhoging van de objectieve en subjectieve verkeersveiligheid voor de fietsers
- vermindering van het aantal woon-schoolverplaatsingen per auto om daarmee tevens de schoolomgevingen te beveiligen
- toename van het aantal woon-werkverplaatsingen per fiets
- bijdragen tot een afname an de gemotoriseerde verkeers- en parkeerdruk en aldus een opwaardering van de centrumfunctie en de leefbaarheid in de woonzones.

Beleidsplan openbaar vervoer

Doelstellingen

Ten aanzien van het openbaar vervoer kan onderscheid worden gemaakt naar doelstellingen inzake:
- aanbod
- doorstroming
- halte-infrastructuur.

Wil het openbaar vervoer in het kader van de mobiliteitsbeheersing een goed alternatief vormen dan moet het in een concurrentiepositie kunnen treden ten opzichte van het privé-vervoermiddel.
De volgende doelstellingen worden naar voor geschoven:
- beïnvloeding van het verplaatsingsgedrag ten gunste van het openbaar vervoer
- een kwalitatief en kwantitatief hoger aanbod aan openbare vervoersdiensten niet alleen in de verschillende motieven, maar ook inzake de te bedienen gebieden
- een hoger niveau van comfort.

Beleidsplan autoverkeer

Doelstellingen

Eén van de belangrijkste doelstellingen van het mobiliteitsplan is de beheersing van de groei van de automobiliteit, middels ruimtelijke herstructurering en het stimuleren van de alternatieve vervoerwijzen.
De bereikbaarheid van bepaalde bestemmingen en functies moeten gegarandeerd blijven, al is het op een selectieve wijze, zodat de leefbaarheid in de centra en verblijfsgebieden wordt verhoogd.

Verkeersveiligheidsplan

Doelstellingen

Belangrijkste objectief inzake het verkeersveiligheidsplan is uiteraard het verminderen van zowel de objectieve als de subjectieve verkeersonveiligheid.

Uitwerking verkeersveiligheidsplan

Naast de situaties welke als verkeersonveilig werden beschouwd op basis van de ongevallenanalyse, zoals vermeld in de oriëntatienota, gaat onderhavig plan verder dan enkel en alleen het bestrijden van verkeersonveilig gebleken situaties.

Integrerende onderdelen van dit veiligheidsplan zijn:
- de wegencategorisering en de voorgestelde snelheidsregimes
- de afbakening van de woongebieden en zone-30 zones
- maatregelen aangaande het autoverkeer in functie van verkeersveiligheid en -leefbaarheid
- incidentele maatregelen
- het politioneel toezicht.

Parkeerbeleidsplan

Het vraagvolgende parkeerbeleid moet worden omgezet in een sturend parkeerbeleid, om zodoende:
- de leefbaarheid en veiligheid in centra en verblijfsgebieden te verhogen
- de bereikbaarheid te garanderen
- het autogebruik op een selectieve wijze terug te dringen.

Omdat de kortparkeerders het best bijdragen tot de (economische) leefbaarheid van de gemeente zullen deze de meest bevoorrechte plaatsen dichtbij het centrum krijgen.
Langparkeerders-werkers zullen buiten het huidige centrum parkeren.
Bewoners (bevoorrechte categorie) moeten in het centrum kunnen parkeren.

Het voetgangersverkeer

Doelstellingen

Samen met het openbaar vervoer en het fietsroutenetwerk speelt ook het voetgangersnetwerk een belangrijke rol binnen het scenario duurzame mobiliteit. Het voetgangersnetwerk is zowel van belang bij verplaatsingen binnen een straal van 1km (verplaatsing binnen de kern, woon-school en woon-winkel) en als voor- en natransport van het openbaar vervoer.
De eisen die gesteld worden aan het voetgangersnetwerk zijn niet zozeer functioneel gericht. Iedere straat maakt immers deel uit van het netwerk. In tegenstelling tot items als directheid en samenhang zijn aantrekkelijkheid, veiligheid, toegankelijkheid voor minder validen en comfort wel van belang.

Aantrekkelijkheid:
De voetpaden moeten aantrekkelijk zijn om te gebruiken. Ruimtelijke kwaliteit speelt hierbij een grote rol.

Veiligheid:
De voetganger moet voldoende veiligheid gewaarborgd worden.

Toegankelijkheid:
De voetgangersvoorzieningen moeten even gemakkelijk gebruikt kunnen worden door ouderen en minder validen.