Gedurende de periode van de Merovingers (van de 5de tot de 8e eeuw) werden in onze streek, naast de eigendommen van de koning ook uitgestrekte domeinen gevormd die door de hogere adel en dienaars van de koning werden in gebruik genomen.
Lennik zou samen met met Gaasbeek, Gooik en Wambeek een domein gevormd hebben dat toebehoorde aan Ida, vrouw van Pepijn van Landen, en aan haar dochter de latere Heilige Gertrudis. Zij zouden het domein aan de abdij van Nijvel schenken waarvan Gertrudis de eerste abdis was.
Lennik werd het centrum van dit domein, er werd ook een markt gehouden: Toen Adalberina abdis was bekwam ze in 978 van keizer Otto II het officiële marktrecht voor Lennik maar ook het uitsluitend recht om de beschermer van het Lenniks domein te mogen kiezen. De abdij van Nijvel was aldus verzekerd van de opbrengsten van de markttaksen.
Tot het domein van Lennik behoorden St.-Kwintens- en St.-Martens-Lennik met Schepdaal, Gaasbeek en Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek. Aangrenzend lagen de domeinen van Gooik en Wambeek. Deze drie domeinen vormden een groot blok waaraan later administratief en gerechtelijk nog talrijke andere worden gehecht en door de abdij van Nijvel het Diets domein werd geheten. Aldus werd Sint-Kwintens-Lennik, het hoofd van alle Nijvelse domeinen in Vlaams-Brabant en zelfs van de aanpalende domeinbezittingen in Vlaanderen. Allen gingen voor hun geschillen naar Lennik als hoofdschepenbank van het Diets domein. Het was het hof van beroep voor alle gerechtszaken. De hoofdschepenbank van Lennik velde vonnis in alle zaken die door de plaatselijke schepenbanken niet konden worden beslecht. Hieruit blijkt hoe belangrijk Lennik was in het kader van de middeleeuwse instellingen van Brabant. Naast de hoofdschepenbank had het domein Lennik zijn eigen schepenbank met een meier en zeven schepenen. De galg en de schandpaal werden de symbolen van de rechtspraak. Op de kaart van de dorpskom van Lennik in 1786 staat de schandpaal (voor dieven en misdadigers) en de stacke (waar het beboete vee werd vastgemaakt totdat de verschuldigde som was afbetaald) nog te midden van de markt.
De keuze van Lennik als centrumgebied werd ook beinvloed door de gunstige verkeerstechnische ligging. De markt vormde het centrum van drie belangrijke verkeersaders, nl. de Brusselstraat ( nu A. Algoetstraat) die toegang verleende tot de Brusselse bezittingen van de abdij, de Hallebaan (nu Fr. Vandersteenstraat) die Lennik en Nijvel verbond en de Begijnenstraat (nu K.Keymolenstraat) op de uitvalsweg naar de noordelijk gelegen abdijbezittingen en het graafschap Vlaanderen.
De abdis van Nijvel liet het domein van Lennik besturen door de heren van Lennik als voogden van de abdij. Deze heren resideerden in de Dietborch, gelegen nabij de markt, waarschijnlijk daterend uit de 9de eeuw en reeds begin 14de eeuw verdwenen. De heren van Lennik werden op een gegeven ogenblik opgevolgd door de heren van Aa. Zij waren na de hertogen van Brabant de machtigste heren. Maar het werd in de 13de eeuw duidelijk dat Lennik moest uitgerust worden met een versterkte post voor het oostelijk deel van het hertogdom, vlak bij de rivaliserende graafschappen Vlaanderen en Henegouwen. Omdat Lennik strategisch gezien minder geschikt was voor de inplanting van een waterburcht, werd de militaire functie naar het naburige Gaasbeek overgeheveld en werd Lennik een onderdeel van het Land van Gaasbeek.
De heerlijkheid der beide Lenniken kwam in handen van Corneille de Man en het zijn ook zijn afstammelingen die over de beide Lenniken bleven heersen tot en met de Franse Revolutie, waardoor een einde werd gesteld aan de voorrechten van de adellijke families. Toen Corneille de Man in 1691 in het bezit kwam van de heerlijkheid liet hij een nieuw zegel maken met het wapen van zijn familie ( met drie morenkoppen). Dit wapen werd op 23 maart 1948 toegekend aan de gemeente Sint-Kwintens-Lennik en nadien aan de fusiegemeente Lennik.
In 1845 werd het vredegerecht overgebracht van Sint-Martens-Lennik naar Sint-Kwintens-Lennik, maar er was geen enkel gebouw dat kon aangewend worden voor het onderbrengen van de openbare diensten en evenmin over een terrein waarop een gemeentehuis, school en schoolhuis zouden kunnen gebouwd worden. Na veel problemen besloot men op de markt een gemeentehuis te bouwen dit zou gefinancierd zijn door F.J. De Gronckel. Alles wijst erop dat de gebouwen gebruiksklaar waren in 1866.
Uit “ Beknopte geschiedenis van Lennik” door Lieve De Smet in Bijdragen tot de geschiedenis van Lennik V ( Andreas Masiuskring) bewerkt door Raoul De Wolf